Terug naar gedichten
Veroordeeld
Ik word een zaal met mensen binnengebracht. Aan de andere kant staat een tafel met wat mensen erachter. De rechter of zoiets. Ik ben ter dood veroordeeld, en zal vergast worden. De rechter vraagt of ik nog iets te zeggen heb. Ik zeg:ik voel me verdrietig omdat ik ter dood veroordeeld wordt, terwijl ik onschuldig ben. Hij zegt: u bent nou eenmaal schuldig bevonden. Ik vraag of ik nog even met Hans mag praten. Dat mag. Ik zeg tegen Hans dat ik bang ben. Hij zegt: jij overleefd het wel, en glimlacht geruststellend. Ik denk: die is gek; hoe moet ik zoiets overleven? Dan moet ik weer naar die mensen achter de tafel. Ik moet al mijn kleren uittrekken. Ik sta daar met m'n kleren in de hand en vind het genant dat ik daar in m'n nakie moet staan voor al die mensen. De mensen zijn woedend omdat ze mij ter dood veroordeelt hebben. De rechter vraagt wat er met mijn kleren en spullen moet gebeuren. Ik zeg: gooi die kleren maar weg. Mijn mandala en kralen mogen echter niet weggegooid worden en mijn Boeddhabeeld moet geschonken worden aan een Boeddistische instelling. Dan mag ik nog een laatste wens doen. Ik wil nog een vrouw bedanken die mij erg heeft gesteund. Deze vrouw zit niet in de zaal, maar ze gaan haar ophalen. Dit wordt weer een lang verhaal. Sorry, maar ik moet het even kwijt. Ze zijn even afgeleid, en ik zie een kleine deur en ren hard weg. Buiten zijn kleine tuintjes, en ik denk:hier kan ik niet opschieten. Ik vlucht de straat op, en haal een riooldeksel weg en laat mij zakken op de trap naar beneden, en trek die deksel er weer op. Daar komen ze aan. Ze rennen over die deksel, maar vinden me niet. Na een tijd klim ik eruit, en ga weer naar die tuintjes. Ik steel wat kleren v. e. waslijn en trek die aan. Ze zijn veel te groot. Dan verstop ik mij in een kerk. Het is er erg donker, en ook daar voel ik me niet veilig. Ik ga weer de straat op en begeef mij onder de mensen. Het valt hun blijkbaar niet op dat ik veel te grote kleren aan heb. Ook herkennen ze mij niet.